Mensenrechten en algemeen belang

De rechten van de mens vinden voor een belangrijk deel hun oorsprong in de ‘Déclaration des droits de l’homme et du citoyen’. Die maakt deel uit van de Franse grondwet en heeft in veel landen geleid tot constitutionele erkenning. De jurisprudentie laat een ontwikkeling zien die deze vrijheden absorbeert in algemene behartiging van belangen.

De erkenning van een mensenrecht in het positieve recht is gebaseerd op de rechtspositie van de mens als individu in relatie tot de overheid: “Rights possessed by the individual, which no government, whatever its popular majority, had the power to infringe” (R.M. MacIver). Door de Franse revolutie is na eerdere ontwikkelingen in Amerika een beweging op gang gekomen die een ommekeer in de positie van ieder individu jegens de overheid inhield. Niet de afkomst of de ‘stand’ van een groep, maar ieder mens verdiende erkenning op gelijke voet in zijn relatie tot het overheidsgezag. ‘Gelijkheid voor de wet’ vereiste een nieuwe en essentiële ‘onthouding’ door de overheid jegens het individu. Hierdoor kwam er stilaan ‘democratie’.

Algemeen belang versus individueel belang

Met het uitgangspunt van de individuele erkenning als mens in zijn relatie tot de overheid hangt samen dat in rechte het ‘persoonlijk eigene’ relevant is om jegens de overheid beschermd te worden. Het is aan de rechter om in een geschil vast te stellen of een mens voor zijn eigen identiteit opkomt in een procedure tegen de overheid. Daarbij was in het algemeen doorslaggevend de wijze waarop die identiteit zich onderscheidde van een gemeenschappelijk belang. ‘Eenieder rakende’ aangelegenheden kwamen niet voor persoonlijke bescherming in aanmerking. Daarom werd algemeenheid of de aard van het gestelde belang bezien. Daarnaast kon degene die opkwam voor een bepaald belang vanwege een algemene behartigingspositie – zoals door politici – evenmin in aanmerking komen voor ‘zijn’ belangenbehartiging. Algemene belangen waren in rechte niet onbeschermd, maar de bescherming van het eigen wezen van een persoon ‘ging niet op’ in hetgeen allen treft. Algemene belangen konden worden geregeld, maar zulke algemene taak was normaliter niet aan rechters ter behartiging opgedragen. Die taak vereist(e) een andere behartiger, veelal de wetgever.

Van individueel naar algemeen

Sinds geruime tijd hebben mensen zich verenigd om in rechte op te komen voor een of meer gemeenschappelijke vrijheden, met name in de constructie van een rechtspersoon. Door die persoonlijkheidsfictie kwam het individuele element minder tot zijn recht. Het groepsaspect, gebracht in een vereniging of stichting met een bepaalde doelstelling, verving de eenling. Werd in de rechtspraak nagegaan of door de rechtspersoon een doelstelling had ter onderscheiding van een algemeen belang, later was dit minder relevant en werden geleidelijk de mensenrechten geabsorbeerd in een collectief belang. Waarom zouden mensenrechten niet bij algemene belangen een rol spelen? Niet meer relevant bleek dan ook een bundeling van individuele belangen. De zorg voor het milieu en het klimaat werd daardoor aangemerkt als een aspect waarbij uiteraard het individuele belang speelde. Door de constructie van een rechtspersoon werd het accent verlegd, de ‘ruimte’ speelde soms een rol voor de nagestreefde belangen. De vrijheidsrechten verwerden evenwel ‘belangenrechten‘. Aan rechters werden dan ook geschillen voorgelegd om te oordelen over belangen als waren er mensenrechten in het geding. De Universele verklaring van de rechten van de mens van 1948 kwalificeerde in de preambule ook klassieke en sociale rechten als ‘rechten van de mens’. In de verdragen van 1966 werden echter sociale, economische en culturele ‘rechten’ onderscheiden van hetgeen het IVBP regelt. De opvattingen over individueel recht naar algemeen belang vond geleidelijk aan plaats. In wezen speelt de betekenis van het subjectieve recht hier.

Het Europese Hof voor de Rechten van de mens op hol

Voor veel rechtsvragen inzake de individuele mensenrechten is in Europa het Hof voor de rechten van de mens een beslissende instantie. De basis van het verdrag waarop dit hof bevoegd is te oordelen heeft het EVRM vastgelegd. De kentering in de loop van de tijd van het individuele naar het algemene is door dit hof ‘gesublimeerd’. De bescherming van het individu als persoon inzake zijn eigen verantwoording voor zijn gezondheid werd in het arrest van de Zwitserse Verein KlimaSeniorinnen getransformeerd in een daaraan tegengestelde overheidsplicht. Het hof oordeelde: “Article 8 encompassed (vet, dzz.) a right for individuals to effective protection by the State authorities from serious adverse effects of climate change on their life, health, well-being and quality of life”. Niet onthouding door de overheid en bescherming van de mens tegen de overheid, maar de plicht van de overheid tot optreden wordt aan artikel 8 toegedicht. Op deze wijze geeft het hof een uitleg aan artikel 8 EVRM die in strijd is met de tekst en bedoeling van die bepaling. De plicht tot onthouding jegens het individu verwordt tot een ‘leveringsverplichting’. Hoewel menigeen positief reageert op het resultaat van dit oordeel vanwege de ‘gelukkige’ uitkomst, misbruikt het Hof zijn opdracht als interpretatieve bewaker van het verdrag. Niet minder verontrustend is het rechtsgevolg dat op grond van die interpretatie deze vrijheid van het individu niet meer bewaakt wordt, weliswaar nu beperkt tot klimaatverandering, maar dat is geen limitatieve begrenzing.

Van norm naar beleid, van rechtszekerheid naar onzekerheid

Nieuwe gecompliceerde ontwikkelingen in technisch en communicatief opzicht brengen in veel opzichten onzekerheid teweeg. Het maatschappelijk proces verloopt onbeheerst waardoor de roep om overheidsbeleid aan het oordeel van de rechter te onderwerpen luidkeels wordt verspreid. Zowel nationaal als internationaal heerst er onzekerheid. Overheidsinstanties zijn niet bij machte het maatschappelijk leven in een rustig water te loodsen. Op velerlei gebied is de normatieve werking van het overheidsgezag in een zware storm beland. Op zoek naar een veilige haven, maar zonder kompas zijn rechters benaderd en gaan dobberen in dit water. Wetgever, uitvoerende macht en rechterlijke macht zien zich geplaatst voor fysieke en technische vragen die niet oplosbaar (b)lijken. De roep om rechtszekerheid wordt overal gehoord, maar ieder antwoord houdt nog geen oplossing in. Veel pogingen, betrouwbare en onbetrouwbare, zijn en worden beproefd om onrust te bezweren. Wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht zijn ieder op zoek naar mogelijkheden. Er wordt veelal gehandeld op hoop van zegen!

Hub. Hennekens is emeritus hoogleraar Staats- en bestuursrecht aan de Radboud Universiteit en oud-lid van de Raad van State.

Houd me op de hoogte

Blijf op de hoogte en ontvang informatiemails over nieuwe cursussen en inspirerende columns & kennisclips op uw vakgebied.

Aanmelden