Waarom delft het recht het onderspit?

De westerse wereld bereidt zich voor op een oorlog. Zonder onderzoek mag aangenomen worden dat het merendeel van de bevolking daar niet gelukkig van wordt noch een oorlog wenst. Wordt dit een “democratische oorlog”?

Macht en vrede verenigd?

Eeuwenlang is het streven naar macht en overheersing van anderen een drijfveer van de “overheid”. Hoe het staatssysteem ook is, steeds weer waren en zijn machthebbers – onder welke naam dan ook – uit op macht. Na de tweede wereldoorlog is gezocht naar een rechtssysteem ter beheersing van de machthebbers. Democratie wordt “geschikt” geacht, maar biedt die wel de gewenste vrede en het volk bescherming? Het recht zou machthebbers van oorlog moeten weerhouden.

“Democratische rechtsstaat”: misleidend taalgebruik

De taal is manipuleerbaar en vaak misleidend. Daardoor begint herhaaldelijk een proces van haat en nijd. Politici zijn erin bedreven. Bij verkiezingen is de taal van de politici een middel om stemmen te verwerven. Verkiezingen zijn een middel om leiders aan te wijzen. Hun verkiezing wordt “democratisch” genoemd. Zij achten zich daardoor “gerechtigd” hun opvattingen de vrije loop te laten. Daarnaast plegen begrippen tot misvatting te leiden. Zo’n begrip is “rechtsstaat”. Scheiding der machten wordt als een juridische waarborg gezien. Machtenscheiding – een model per land – is louter theoretisch. Het leidt niet tot een “op recht gebaseerd” handelen door welke macht dan ook. De uitvoerende macht heeft een overheersende positie. Een staat kan niet handelen: als “rechtspersoon” is hij een fictief “persoon”. Machtsdragers hebben het roer in handen. Of zij het recht dienen wordt niet bepaald door de term “rechtsstaat”. Die kan op zichzelf niet bewerkstelligen dat door de machthebbers “rechtens” wordt gehandeld. Ten onrechte wordt “rechtsstaat” verstaan als een staat waarin het recht het “hoogste gezag” is. Een abstracte juridische structuur kan geen gezag uitoefenen. Rechtspersonen – zoals stichting, vereniging, vennootschap –, zijn fictieve personen waarvoor de wet organisatorische rechtsregels heeft vastgesteld. Dat is voor een staat niet anders. Omdat een staat kan niet handelen worden handelingen van zijn leiders hem toegerekend.

Van “rechtsstaat” naar machthebbers

Op machthebbers rust de plicht de mensenrechten te garanderen. Plicht is de tegenhanger van die rechten. Hoe sterker de staat, hoe groter de macht van de leiders. Hoe meer macht, des te minder blijkt de nakoming van die plicht. Macht berust apodictisch op hetgeen “democratische kiezingen” hebben opgeleverd, niet op plichtsbetrachting. Verkiezingen zijn hooguit het resultaat van populariteit van de gekozenen. Hoe zij met hun macht omgaan wordt niet bepaald door “rechtskwaliteit” of plichtsbesef. Hun optreden kan goed of kwaad zijn, het ontbreekt aan beheerste macht. Door hun verkiezing achten machthebbers zich vrij hun gang te gaan. Zelfs rechters – hoewel door recht gebonden – spelen met macht. Geen staatssysteem dwingt “recht-doen” af. Daardoor is rechtsstaat misleidend en tevens fictie als staat.

Hiërarchie in staatsrechtsnormen

Men kan staatsrechtelijk drie soorten normen onderscheiden. Niet iedere rechtsnorm heeft dezelfde “waarde”. Er zijn normen die algemeen gelden (recht). Zij staan aan de basis van een menswaardige samenleving. Daarna volgt de wil van de wetgever als norm voor relaties tussen mensen (wet). Ter bewaking zijn procedurele normen tenslotte van belang voor handhaving. De normen die als algemene grondslag in ieder maatschappelijk verkeer gelden hebben een zekere absolute gelding, zij houden in: niemand bewust onrecht aandoen. Het besef van “onrecht“ is geen juridische kwalificatie en krijgt inhoud naar culturele en situationele omstandigheden. Mensen plegen te rekenen op een bejegening, met name van hun leiders, waarin hun bewust geen onrecht – in rationele context – wordt aangedaan. Van degenen die aan het hoofd van de overheid staan wordt verwacht dat zij “opkomen” voor een maatschappij waarin onrecht tegengegaan wordt. Aan verkiezingen ligt de opvatting besloten dat in een “democratie” die grondnorm voor de gekozene geldt. Machthebbers zouden die norm in acht moeten nemen. Maar hoe wordt gezorgd dat zij zich aan die norm houden zodat naleving ervan plaats vindt? Dat pleegt niet te gebeuren en dientengevolge is een regeling van hun rechtsgedrag een hiaat in organisatorisch opzicht. Als tweede norm is het aan de wetgever om doelmatig met inachtneming van die grondnorm zorg te dragen voor de behartiging van algemene belangen. Het “democratisch” aspect laat zich met name in deze opdracht gelden. Zorg voor de naleving van normen is aanwezig door procedureel recht. In nakoming door machthebbers van hun rechtsplichten wordt niet rechtens effectief voorzien.

Onrecht als machtsfactor

De machthebbers worden in een rechtsstaat verplicht geacht om binnen hun bevoegdheden “de grondnorm” van “geen onrecht” in acht te nemen. Er kan slechts sprake zijn van een rechtsstaat als machthebbers in een staat volgens die grondnorm tewerk gaan. Echter de “democratische rechtsstaat” pleegt in gebreke te zijn, omdat “democratie” naleving van die norm niet garandeert. ”Rechtsgedrag” plegen de “machthebbers” naar hun persoonlijke opvatting te interpreteren: zij achten hun eigen overtuiging de norm. Waar dit wordt aanvaard kunnen de machthebbers vrijuit gaan. Achteraf wordt soms tegen hen opgetreden wegens machtsmisbruik. Dat is ruimschoots te laat. Als er geen instituut is dat gedragingen naar rechtsnormen van machthebbers in hun machtsuitoefening handhaaft, is machtsmisbruik niet uit te sluiten. Hun macht wordt “rechtsstatelijk” bewaakt noch ingebed. De idealiter verwachte “rechtsstaat” berust op drijfzand. Hij bestaat slechts als de machthebbers van de staat in hun doen en laten gehouden worden aan de “grondnorm”. Deze onderworpenheid valt niet onder de categorie “mensenrechten”. Niet de rechten van de mens, maar de plichten van de machthebbers tijdens de uitoefening van hun ambt zijn voorwerp van beoordeling. Hun gedrag dient gecontroleerd te worden door een orgaan dat dan toeziet op hun gedrag en toetst aan de grondnorm. Zowel algemene verkiezingen als de scheiding der machten verschaffen daartoe geen garantie. Indien machtsmisbruik niet wordt geweerd wordt het volk een “democratisch slachtoffer”. Nog steeds corrumpeert macht. De machthebbers in Rusland, de VS en Israël – om me daartoe nu te beperken – blijken onweerstaan de essentiële norm voor een naar recht levende samenleving naar hun eigen belang te “misvormen”. Het verschil tussen democratie en “demoncratie“ scheelt maar één letter. Nederland zou dit eveneens kunnen ervaren.

Vraag

Is het rechtens mogelijk machthebbers effectief te weerhouden van onrecht?

Hub. Hennekens is emeritus hoogleraar Staats- en bestuursrecht aan de Radboud Universiteit en oud-lid van de Raad van State.

Houd me op de hoogte

Blijf op de hoogte en ontvang informatiemails over nieuwe cursussen en inspirerende columns & kennisclips op uw vakgebied.

Aanmelden